Een schrijver, een romanschrijver, heeft het niet onder de markt. Hij moet niet alleen spelen met taal, mooie zinnen maken, een eigen stijl verzinnen, maar we eisen ook dat hij een lang verhaal kan aanhouden. Hij moet dus, in atletiektermen, zowel een sprinter als een lange afstandsloper zijn. Wie iets van atletiek kent, weet dat dit nonsens is. Je bent het een of het ander. Dat heb ik ook met romans, met schrijvers en met zinnen.
Ronald Giphart is een schrijver waarvan ik nooit iets had gelezen. Wel af en toe betast (zijn boeken), maar dan weer teruggelegd. Titels als Phileine zegt sorry, of Ik ook van jou, intrigeerden we wel, maar uiteindelijk passeerde ik met andere boeken onder de arm aan de kassa.

Nu dus niet. Was het de cover van Mijn vrouw & andere stukken (kunstzinnig en veelkleurig) of het formaat (bijna vierkant)? Enkele zinnen die me leuk leken? Of het kleine risico: dit waren colums, snel gelezen, vlug verteerd.
Colums, zegt Wikipedia, zijn korte stukjes proza waarin de auteur spits en uitdagend zijn mening ventileert. Kort betekent hier concreet twee bladzijden, en ze zijn inderdaad vaak spits. Korte sprintjes, mooie bewegingen. Al aangekomen voor je je afvraagt waar het heen gaat. Met veel plezier heb ik ze gelezen. Geen seconde een roman gemist, een groot en lang verhaal (ik ken veel romans die goed geschreven zijn, maar waarvan het verhaal met haken en ogen aan elkaar hangt, en er eigenlijk ook niet toe doet).
De gebruiksvriendelijkheid ook van colums: je begint waar je wil, en je legt het boek zo maar weer terug. Zint er jou een stukje niet? Dan sla je het gewoon over, zonder dat je dat stoort bij het vervolg.