Als iedereen een boek goed vindt, stoot me dat af. Maar als ik een positieve commentaar lees in de krant, die dan ook nog eens goed geschreven is, geef ik me gewonnen.
Voor Louise Erdrich geef ik me gewonnen. De recensie die Kathy Mathys in DSL schreef op 11 december trok m’n aandacht. Maar omdat m’n geheugen me de laatste tijd vaak in de steek laat, kostte het me een paar weken om het boek te vinden (herinneren). Uiteindelijk vonden we mekaar. Een mooi boek (van buiten), met een grote foto van de auteur op de achterflap. 350 bladzijden leesplezier.

Dat het zich afspeelt op de rand van een Chippewa-reservaat, heeft er niets mee te maken. Indianen in reservaten boeien me maar weinig. Maar vanaf de eerste bladzijden (de duivenplaag, de opspringende jurken) was ik in de ban. Het lijken op het eerste zicht aparte verhalen, maar beetje bij beetje kom je er als lezer achter dat alles samenhangt. Verschillende personages zijn om beurten aan het woord. Ze vertellen hun verhaal, denken ze, maar ze zijn niets meer dan stukjes van een veel groter, ouder verhaal, waar ze niet aan ontkomen.
Maar het verhaal is, zoals in alle goede boeken, maar bijzaak. Veel belangrijker is de gevoeligheid van de auteur, hoe ze het vertelt. Zo dat de lezer zich inleeft in de personages. Dat is bij mij bijzonder goed gelukt. Terwijl ik aan het lezen was werd ik verliefd op de schrijfster. Ik biechtte het op aan mijn vrouw, en ze werd jaloers. Ik ging op zoek naar details over haar leven, op Wikipedia, op literaire sites. En ik neem me voor om zeker nog wat van haar te lezen. In het Engels dan.
Een samenvatting van De duivenplaag schrijf ik niet. Dat zou alleen maar afbreuk doen…