Van Hans Warren ben ik een grote fan. Geen dagboekschrijver die aan hem kan tippen. Gewoon daarom: hij schrijft onverbiddelijk, spaart zichzelf niet en weet vooral alles te benoemen. Weinig schrijvers die zoveel weten van alles. Warren is bijzonder erudiet in de beste zin van het woord. Als ik straks verhuis is er zeker een plaats voor zijn dagboek, voor de 7 delen die ik heb gelezen.
Het laatste deel, Geheim dagboek 2001, is een verhaal apart. Het is het jaar van zijn dood, en dat zal je als lezer geweten hebben. Het is het trieste verhaal, dag na dag, van zijn aftakeling. Met bijna dagelijks interesse voor stoelgang, voor grote en kleine kwaaltjes, en daardoor wordt dit deel heel repetitief. Dat Warren er toch in slaagt om boeiend te blijven, is op zich al een prestatie. Bij elke notitie valt hij een of twee keer in slaap, zijn er vlekken van inkt of kwijl (grafisch weergegeven met bolletjes). Menigmaal roept hij om zijn einde: komaan, laat me sterven!
Maar Warren blijft elke dag schrijven. Als hij dat helemaal niet meer kan, doet hij het toch nog. Omdat zijn vriend, M., hem ertoe verplicht. Om flink te zijn, geen aanstoot te geven. Ook daarom doet hij nog de uitstapjes met M., waar hij nochtans zo tegen opziet.
Warren: “Nu, dit lijkt me een dieptepunt van dagboek houden. Of zou je nog verder kunnen versukkelen, wat inhoud en uiterlijke verzorging betreft? ”
Wat een treffend dieptepunt.