
Vreemd. Het meest recente boek van de Vigan was wat tegengevallen, maar toch heb ik het vorige gekocht. Alsof ik een vermoeden had. En dat vermoeden bleek juist. Rien ne s’oppose à la nuit is een klassieker, een heel mooi voorbeeld van geslaagde ik-literatuur, autobiografisch ten voeten uit, en aangenaam om lezen van begin tot einde. Dat laatste is nochtans niet evident, zoals ik tot vervelens toe moet concluderen.
Omdat ik daarvoor het laatste deel van de reeks Mijn strijd van Knausgard had gelezen, was de gelijkenis evident voor mij. Misschien net iets minder beklijvend toch, de Vigan, en de figuur van de vader van Knausgard blijft langer hangen, denk ik, dan Lucille in Rien ne s’oppose, maar er zijn veel gelijkenissen. De fascinatie op de eerste plaats. Slecht ouderschap op de tweede. En hoe je daar als kind, en later als volwassene, door gemarkeerd bent (niet kapotgemaakt!).
De Vigan schrijft begrijpelijke zinnen, zonder pretentie. De boodschap primeert, en daar hou ik van. Af en toe geniet ik ook van observaties. Er is iets tussen de Vigan en mij, dingen die ik ook zo zou geschreven hebben. Eenzelfde opmerkingsgeest.
Ook Lucille had mijn sympathie. Van bij het begin. Dat is natuurlijk ook een sleutel van het succes. Want het hele boek draait om haar. 61 jaar lang (ook al zijn we ze soms kwijt, is dat een verwijt?).
Enkele tekenen dat ik genoten heb: de plaatsen in Parijs die ik heb opgezocht, waarmee ik me meteen verbonden voelde, de informatie die ik heb opgezocht over het stervensproces (vannacht), de snelheid waarmee ik gelezen heb.