Lezen. Het gaat me beter af dan schrijven. Daar moet ik me bij neerleggen. Niet helemaal, maar voorlopig wel. Het boek met de verrassende titel Hoe lees ik van Lidewijde Paris leek dus op mijn lijf geschreven. Ten dele toch.
Want als ik er iets u
it geleerd heb, is het dit: dat ik niet wil weten hoe ik lees, en ook niet hoe andere mensen lezen. Dat was ik even uit het oog verloren, sinds ik van de universiteit af ben (33 jaar!). Maar nu weet ik het weer. Ik wil gewoon lezen, en geen idee waarom iets werkt en iet anders niet. Bij mij. ‘Hoe lees ik’ en ‘Waarom lees ik’ zijn vragen die ik het liefst onbeantwoord laat. Dat weet ik nu.
Het boek is niet zonder verdienste. Er staan een hoop voorbeelden in die ik ken, en waar ik me dus iets kan bij voorstellen (stel je voor dat dit niet zo was, dan was het onleesbaar). Garcia Marquez, Grondahl, Knausgárd, Murakami, Hertmans, Conrad, Barnes, enz. En ook enkele die ik moet leren kennen, heel binnenkort, als Ferrante en Olafsson. Een soort leeswijzer dus.
Een nadeel is dan weer dat de fragmenten uit het boek soms lang zijn (een paar bladzijden). Dan ben ik in het verhaal, en doet de schrijftechniek er niet meer toe.
Ik ben teveel lezer voor dit soort boek.