Chris de Stoop speelt met non-fictie. Of is het fictie? Neen, duidelijk niet. Zijn boeken zijn resultaat van onderzoek, en dat onderzoek maak je als lezer mee. Dat is ongemeen boeiend.
Wat maakt dan dat je dit leest als fictie? Dat is het werk van de auteur natuurlijk. De Stoop ordent zijn verhaal op een niet conventionele manier. Is soms heel aanwezig en dan weer totaal niet. Is afwisselend zeer gevoelig en erg rationeel. Dat viel me op in het boek Daniel.

En ook de onderzoekende geest. Blijven vragen tot je het weet. Of beter: tot je begrijpt. Want Chris de Stoop probeert echt de motieven van de brandstichters, plunderaars en moordenaars van zijn oom te doorgronden. Al komt hij hier niet veel verder dan snel geldgewin en misschien een jeugdzonde (geen “stommiteit”). Gelukkig biedt hij voldoende weerstand, en gaan we nergens de melodramatische toer op. Ook niet met de grote ommekeer van P, een van de daders, die door God met een hersentumor wordt gestraft, maar van wie de Stoop opmerkt dat hij zijn belofte om € 500 voor het graf te betalen niet nakomt.
Als ik kritisch ben (dat ben ik altijd) moet ik toegeven dat het begin mij wat tegenstond (het duurde echt wel even voor ik helemaal mee was) en ook het einde (na het proces) hangt er wat losjes aan. Maar dat is detailkritiek. Ertegenover staat dat ik bijna voortdurend een kaart naast me had bij het lezen, ook al gaat het om een plek waar ik zo naartoe kan fietsen, en waar ik al ontelbare keren achteloos ben voorbijgereden.
Ik kijk nu al uit naar zijn volgende boek.