Deel 2 van de autobiografische trilogie van Tove Ditlevsen heb ik heel snel gelezen (terwijl ik dit opschrijf ligt deel 3 al half gelezen naast mijn bed). Het doet me telkens iets: een autobiografie in verschillende delen. Doet me weer denken aan de verguisde Knausgard, die ik heel graag gelezen heb. Al is het goed voor mijn ogen dat de autobio van Ditlevsen wat minder ambitieus is: alles samen iets meer dan 500 bladzijden.

Na Kindertijd, waar ik niet helemaal mijn gading vond, Jeugd. Met veel liefdesverhalen, verlangens, ontgoochelingen, ruzies, en op de achtergrond de ouders en de broer, die de tiener Tove geen inspiratie bieden. Wat vind ik er zo mooi aan (want ik ben echt wel enthousiast)? De eenvoud, denk ik. Het gebrek aan literaire pretentie, terwijl er toch goed geschreven wordt. Of kan ik daar niet over oordelen, omdat ik een vertaling lees? En slaat mijn oordeel dus enkel op de inhoud.
Ook die is eenvoudig trouwens. Bij het begin is ze vijftien, en nog altijd voelt ze zich anders dan de anderen. En ze heeft maar één ambitie: gedichten en romans schrijven en publiceren. Daarom gaat ze op het einde van dit deel (dan is ze achttien) alleen wonen, en raakt ze meer dan bevriend met een vijftiger, die de uitgeverswereld kent en die haar kan vooruithelpen. Dat belooft niet veel goeds voor deel 3…