Ik was begonnen met Een goed nest, Philip Huff zijn laatste roman. Maar omdat de eerste bladzijden me niet overtuigden eens gespiekt bij Goodreads. Daar kreeg ik de raad om toch maar voor Wat je van bloed weet te kiezen. Ik weet niets van Philip Huff en liet me dus overtuigen door meer ervaren lezers.
Opgroeien in een gezin vol geweld, waar vader en moeder (de verteller noemt ze consequent bij hun voornaam, Annabelle en Peter. Is ongewoon voor een kind van de lagere school) voortdurend ruzie maken, waar rake klappen vallen, waaraan ook de kinderen niet ontsnappen. En toch kunnen Annabelle en Peter niet zonder elkaar. Je zal het maar meemaken. Op de drie kinderen heeft de tumultueuze jeugd (ze verblijven ook hele periodes bij hun tante en nonkel) een verschillend effect. Broer Alex gaat er mentaal helemaal onderdoor, raakt aan de drugs. Zus Emilie houdt stand (ze is de oudste) en de verteller zelf wijt zijn lichamelijke klachten (hart) aan de spanningen thuis. Zijn schrijverstalent en zijn vriendin Cato houden hem recht.
Heb ik ervan genoten? Niet echt. Was ik geboeid? Soms, maar met mate. Zeer noodzakelijk voelt dit boek bij mij niet aan. Het houdt me bezig, zorgt ervoor dat ik niets anders doe. Maar zeer lovend klinkt dat niet.
Zeer lovend ben ik ook niet.
